Sjaellands Odde

Tiberius ligt direct aan de pier in Odden Havn

Het lijkt ondertussen wel of we in Sjaelands Odde wonen. Weten de weg naar de supermarkt feilloos te vinden. En leggen al contacten met bewoners. Gisteren bijvoorbeeld met de vriendin van de eigenaar van een delicatessenwinkel. Ze is in Nederland geboren en heeft in Denemarken stedenbouw gestudeerd. Ze werkt bij de gemeente die het hele schiereiland beslaat. Nu kunnen we eindelijk eens praten over de slechte staat waarin het dorp Odde zich bevindt. Lekker roddelen over de eigenaar van de ruim gesorteerde viswinkel hier op de haven die alle uitbreiding van activiteiten tegenhoudt. En over de slechte staat van de wegen en de sobere staat van de woningen. Het blijkt dat het dorp voor 2/3 uit vakantiewoningen bestaat. De eigenaren betalen hier geen belasting. Er is hier niet zoiets als toeristenbelasting. Dus dan is het logisch dat de gemeente geld te kort komt. De jonge stedenbouwkundige heeft hier een prachtig jaren 30 “opknap-huis” gekocht, dat ze met vrienden gaat opknappen. Ze probeert, als stedenbouwkundig medewerker, de gemeente achter een plan te krijgen waarin Odde zich verder kan ontwikkelen. Lijkt me geen eenvoudige taak voor een pas afgestudeerde stedenbouwer. We wensen haar succes.

Het schiereiland is trouwens prachtig. Doordat het zo smal is en door de hogere ligging zie je soms de zee aan beide zijden. De pas met maïs ingezaaide akkers vormen prachtige golvende sporen naar zee. We wandelen in een uurtje naar Odden Kirke. Een vreemd vuurrood geschilderd, middeleeuws kerkje in het dorp Overby met een kerkhof er omheen. Jammer dat alle deuren op slot zitten. De interieurs van de oude Deense kerkjes zijn vaak erg mooi. We eten onze broodjes met een kopje bouillon in een hoek naast de kerk. Een beetje uit de wind want het waait behoorlijk. We nemen een andere weg terug waarbij we de zee tussen ons en het eiland Sejerø zien liggen. Sejerø is onze volgende bestemming waar we pas naartoe kunnen varen als de wind afneemt. Hopelijk kan dat a.s. maandag.

De haven is prachtig met de helder blauw geschilderde vissersboten die qua kleur mooi bij de heldere blauwe luchten en ook bij de dreigend blauwe onweerswolken passen. De gekleurde vlaggetjes op de schepen steken in de avondzon scherp af tegen de donkere achtergrond. Een paar keer per dag, soms in de nacht, schrikken we op als de fel oranje gekleurde Pilot vlak voor ons met veel kabaal wegracet om het volgende zeeschip te begeleiden. Lijkt ons zwaar werk. We moeten even op de muur rond de haven klimmen om de zee te zien. Blijkbaar is deze hoge zeewering noodzakelijk om de haven te beschermen bij echte noordelijke herfststormen. Het voordeel is wel dat we achter de muur een beetje uit de wind liggen.

Twee dagen geleden zijn we op aanraden van Jos met de bus naar het Hempel glasmuseum gereisd. Het kleine museum, met een particuliere verzameling glaswerk, ligt op enige afstand van Nykøbing waar de bus stopt. We eten eerst iets in het plaatselijke cafe in Nykøbing en wandelen via het bos naar het museum dat tegen een helling ligt. Er is een prachtige verzameling glaswerk uit alle eeuwen te zien. J.C. Hempel heeft tijdens zijn leven de collectie verzameld. Hij verdiende veel geld aan een goede scheepsverf die hij ontwikkelde en met name aan de firma Maersk verkocht. De grote lichtblauwe containerschepen varen over de hele wereld. De combinatie van het glaswerk, tentoongesteld in een mooie hoge lichte ruimte, dat met een groot raam uitkijkt op de Nykøbing Bugt, maakt dat het glas nog helderder overkomt. Ria is onder de indruk van de prachtige, uit gekrulde glazen onderdelen opgebouwde, ovale bol van Jeanet Iskander, die de glasprijs van het museum in 2015 won.

Toen we maandag de rustige oversteek van Hundested naar Odde maakten, zagen we het schiereiland Overby op haar mooist. Zacht golvend reist het uit zee omhoog, hier en daar getooid met groepjes naaldbomen. Twee dagen er voor waren we al over de Roskildefjord naar Hundested gevaren. Alhoewel er een aardige noordelijke bries stond, hadden we daar op de fjord weinig last van. Totdat we bij het gat bij Hundested kwamen. Toen heb ik Tiberius en Ria weer op de proef gesteld. Ik moest gas terug nemen omdat Tiberius zich gedroeg als een duikelaartje waarbij de neus diep in de opeenvolgende golven dook. Dan helpen stabilisatoren niet. Alleen als de golven van opzij komen.

Denemarken

vrijdag 20 mei

oversteek van Zweden naar Denemarken

Reizen over het water brengt een extra dimensie met zich mee. Water geeft je een enorme vrijheid. Maar maakt je aan de andere kant ook zeer afhankelijk. Van het water en het weer. Ook wel de elementen genoemd. En die zijn niet voor de poes. Als je daar niet goed mee omgaat kan dat grote gevolgen hebben. Maar als je er wel goed mee omgaat, en je past je aan, dan is de beloning groot. Je ziel stijgt op tot het bovenmenselijke.

Blijkbaar brengt het ouder worden met zich mee dat je dat spel minder goed kan spelen. Of dat je misschien vroeger wel te roekeloos was en daardoor ver kwam. Door schade en schande dus. Ria merkt dat van ons twee het meest. Ik ga met mijn dolle kop wellicht nog te veel door roeien en ruiten. Maar natuurlijk besef ik ook steeds meer dat het minder gemakkelijk gaat. Je raakt eerder vermoeid. Je ziet het gevaar eerder. Maar de conclusie is dat we het rustiger aan gaan doen en het rondje Noorwegen wordt een rondje Denemarken.

Ik vermaak me met het verhaal van Rob en Nienke Peters over de reis met hun Hutting 40 in 2008 naar de Lofoten. Een zeer bijzondere reis van 4,5 maand. Met af en toe gewaagde stukjes. Met Tiberius zou het veel moeilijker zijn om de buitenkapen rond de Fjorden te passeren. Als ik lees hoe het er op de Hutting aan toe gaat, moet ik er niet aan denken dat we er met onze stalen, zware Tiberius, met Ria aan boord, in terecht zouden komen. Dat overleven we niet. Een Hutting is daarvoor gebouwd. Dus geen Noorwegen en toch ’n beetje Noorwegen door het lezen van het prachtige reisverhaal van Rob en Nienke. Geen beter moment om dat te doen.

We zijn van Zweden naar Denemarken overgestoken, lagen gisteren in Hundested en zijn nu de mooie Roskilde Fjord in gevaren. We onderzoeken Denemarken van binnen en van buiten. Voor Ria geeft het nu al rust. In Hundested hebben we het Knud Rasmussen-museum bezocht. Erg interessant om zijn reisgeschiedenis te lezen en de wijze waarop hij voor Denemarken Groenland en de Inuit-cultuur van de inlandse bevolking onderzocht. De haven in Hundested is ook leuk. Zoveel vissers als er liggen. Ook hele oude, vergane glorie. Er varen vooral nog hobbyvissers met kleine plastic bootjes.

Ik ben altijd jaloers op het prachtige vergrijzende hout aan woningen en in de havens in Denemarken. Dat kan niet in Nederland. Daar wordt het onbehandelde hout direct groen. In Hundested hebben ze een pier vernieuwd met prachtige grote gestapelde stenen in combinatie met het vergrijzende hout. Om van te smullen zo mooi.

De tocht over het Roskildefjord was bijzonder. In de ochtendnevel was het land rondom grijs terwijl er onweerswolken over trokken. Het gaf een Lord of the Rings- sfeertje. Erg mooi. Het is overigens oppassen. Ook al is de Fjord qua breedte te vergelijken met onze randmeren, in combinatie met een stukje Markermeer, zijn de vaargeulen vaak erg smal. We varen dan ook sommige stukjes van boei naar boei.

In de ochtendnevel was het land om ons heen grijs terwijl er onweerswolken over trokken. Het gaf een Lord of the Rings- sfeertje

Viken

Zaterdag 14 mei 2022

We gaan niet meer verder naar het noorden. Ria kan het niet meer opbrengen. De golven, de afstand, het grote water benauwen haar. Ria heeft dat wel vaker gezegd maar ze is toch steeds meegegaan. Toen woog voor haar de schoonheid van de havens en het landschap nog voldoende op tegen het ongemak en de angst. Nu niet meer. Ria kan niet meer van de reis genieten omdat alles haar aanvliegt. We hebben met Willem en Syl gebeld en Ria met Jos om het gevoel te delen. Dat helpt het beter te begrijpen. Het valt tegen, mijn gedroomde reis naar de Noorse fjorden niet te kunnen maken. Nadat Ria zei dat we al wel veel mooie reizen hebben gemaakt, ben ik dat maar eens op een rijtje gaan zetten. Als het me niet zo goed meer lukt vooruit te kijken, kijk ik maar terug. Het is een heel verhaal geworden.


Vanaf onze jeugd komen we op het water. Ria had een Jol waarmee ze op de Braasem zeilde en ik voer op de IJslandse vlet van de Reddingsbrigade in Noordwijk. Met opgroeiende kinderen en in onze werkende jaren hadden we geen oog meer voor het water. Maar toen de kinderen groter waren begon het water weer aan ons te trekken. We gingen op zoek naar een boot en kwamen uit op een klassieke Scheldenschouw “Seepaert” zonder mast, want zeilen wilde Ria niet meer. Via de kanalen en rivieren gaan we drie weken naar Zeeland. Deze prachtige reis op het water smaakt naar meer. We gaan daarom op zoek naar een serieuzere boot waar we wat verder weg mee kunnen. Het wordt geen stalen opa en oma boot. Ook geen boot die te plastic of te glimmend is. Nee, het wordt een stoere pilot, een ONJ 10.20 “Post 3” waar we niet alleen binnen Nederland, maar ook naar Denemarken kunnen varen. Wat zijn we trots op onze boot. Je kan er niet alleen maar op varen. Nee, je kan hem ook als tweede huis gebruiken en even helemaal weg zijn. We hebben 8 jaar van Post 3 genoten.
In 2004 verkenden we het IJsselmeer en de andere Nederlandse wateren. In 2005 is het tijd voor het grote werk dus doen we in de zomer een rondje Denemarken. We genieten. Vooral als we de Kieler Fjord opvaren. Daar worden we stil van. Vanaf hier lonkt het frisse noorden pas echt. Die zomer in het mooie Denemarken raken we verknocht aan de Oostzee. Toch doen we in 2006 een rondje Parijs over de Belgische en Franse wateren. Ria wil even niet op groot water. Parijs en de Seine vinden we mooi maar de reis erheen en terug door de Ardennen is niet wat we willen. Alhoewel mensen zeggen dat de Ardennen mooi zijn, kunnen we er niet echt warm voor lopen. Te somber en te donker. We willen het licht! In 2007 ondernemen we weinig. We verhuizen in maart naar de Westsingel. Dat geeft veel drukte. In de zomer varen we naar het Duitse eiland Borkum en doen een poging om buitenom naar het volgende eiland te varen. Dat is echter te ruig voor Ria en we besluiten daarna wat in Friesland en langs de oevers van het IJsselmeer te blijven hangen.

In 2008 staat een rondje Duitse hanzesteden op het programma. In mei varen we de Rijn op en vanaf Wesel via de Duitse kanalen naar Potsdam. We genieten van deze koninklijke stad. Via het spectaculaire Schiffhebewerke Niederfinow komen we op de Oder en in Polen. Via Stettin, het Stettiner Haf en de Peenestrom varen we naar Stralsund en zijn voor de tweede keer op de Oostzee. Om echter via de Duitse hanzesteden terug naar Nederland te varen lukt niet, het weer zit niet mee. Daarom besluiten we om Post 3 in Barth in Duitsland achter te laten. Dat biedt ons de mogelijkheid om het volgende jaar de Zweedse Oostkust te verkennen.

In het voorjaar van 2009 pakken we de draad weer op. We wachten op Hiddensee tot het weer goed genoeg is om de oversteek naar Bornholm te maken. Als de wind is afgenomen tot 3 à 4 Beaufort wagen we het er op. Halverwege valt de wind weg en varen we over een glad zeetje. Ria glimt van oor tot oor. Tussendoor gaan we een maand naar huis om te werken. In mei varen we verder, langs de steeds mooier wordende Oostkust naar Oxelösund. Tussen de scheren zien we steeds meer eilandjes en tellen de stenen onder water. In Zweden is het de gewoonte geen vaarweg met boeien uit te zetten, maar alleen het gevaar onder water met een boei of een teken op een rots aan te geven. Dat is even wennen. Hoe dichter we bij Stockholm komen hoe talrijker de eilanden. Bijvoorbeeld het prachtige Harstena. Een oud robbeneiland waar nu in de winter nog twee mensen wonen. Wij zijn vroeg in het jaar en liggen in ons eentje. We verkennen vervolgens de Archipel van Stockholm. Duizenden eilanden én de stad. Als we in Lökholmen aanmeren worden we geholpen door een zachtaardige Zweed met een witte pet op. Hij geeft ons een adres van twee jachthavens waar we vlakbij Stockholm de boot kunnen laten overwinteren. Lökholmen lijkt een Japanse tuin. We liggen aan prachtige grijze steigers tegen de rotsen, nemen kronkelende paadjes door het dennenbos en wandelen over dikke tapijten van mos waar je diep in wegzakt. Regelmatig hebben we prachtige doorkijkjes naar de zee. We hebben het paradijs gevonden. Na twee vermoeiende maar prachtige weken Stockholm, brengen we Post 3 op de winterplek en nemen de trein terug naar Nederland. Ons vaarzeizoen zit er op voor dit jaar.


Ook in 2010 willen we weer drie korte perioden naar de boot gaan. We hebben kaarten tot Turku gekocht en kunnen dus naar Finland oversteken. En dat doen we na veel wikken en wegen ook. Na nog kanelbullar en vers brood te hebben gekocht varen we de scheren in. Morgen verder naar Fejan. Daarvandaan heb je een directe route over zee naar Mariehamn op Åland. De grote ferries nemen die route ook. Na ongeveer 30 zeemijl en 2,5 uur varen passeren we het baken Marhallen, voor de grillige kust van Åland. Ria kan opgelucht ademhalen. Het was weer een uiterst zachte overtocht zonder wind en golven en bij een stralend blauwe lucht. Als je denkt dat er verder nog veel zee is tussen Mariehamn en vasteland van Finland heb je het mis. Het is een zee van kleine eilandjes. We hoppen van eiland naar eiland. Ze lijken op elkaar maar zijn toch steeds anders. We moeten de verschillen leren zien. Meer bos, minder bos, kaler of hoger, veel water of minder. Soms huizen of alleen schuren en vaak ook helemaal niets. Het is hier absolut minder lieflijk ten opzichte van de Zweedse scheren bij Stockholm. We naderen langzaam maar zeker het uiterste punt van onze grote reis naar het noorden. We gaan nog tot Uusikaupunki en dan vallen we van de waterkaarten die we hebben aangeschaft. Voor Ria is het welletjes. Ik begin ook naar ons traditionele rondje IJssel te verlangen. Maar eerst nog naar Turku en terug naar Stockholm. Volgend jaar varen we de boot naar Nederland terug. Dat doen we in 2011 via het Götakanaal, Götenborg, de kale scheren aan de westkust van Zweden, de Deense eilanden, het Kieler-kanaal en via Otterndorf aan de Elbe en de Duitse kanalen naar Delfzijl.

Dan moeten we tot ons verdriet Post 3 verkopen. Een appartement in de stad en een boot onderhouden kan bruin niet meer trekken. Ik werk steeds minder en dat betekent dat we zuiniger moeten leren leven. De laaste keer dat we op de Vecht varen gaan we aan een steigertje liggen om de boot klaar te maken voor verkoop. Daar zitten we alle twee te janken in de kuip. We zullen Post 3 missen.
We besluiten een campertje te kopen waarmee we er opuit kunnen trekken. Dat doen we binnen Nederland, naar Frankrijk en een keer naar Noorwegen. Dat geeft ook een bepaalde vorm van vrijheid. Daar genieten we van. Alleen jammer dat je niet in de binnensteden mag staan. Je wordt meestal weggestopt in een hoekje. En je staat mannetje aan mannetje op een grasveld. Alleen ver in Noorwegen buiten het hoogseizoen, en op kleine boeren campinkjes kun je nog alleen staan. En als je, terug uit Noorwegen, in Zweden aan het water wilt staan is het daar vol en geven ze je een plekje achteraan. We zijn verwend. Als ik in de zomer van 2014 tegen tegen Ria zeg dat de Johanna weer in de haven van Amersfoort ligt maakt Ria stiekem een afspraak met Peter en Elly, zij wonen op de boot. We gaan langs in Huizen, waar ze inmiddels zijn aangekomen en we zijn direct verkocht. Dat willen we ook, op een boot wonen. Dus gaan we op zoek naar een geschikt schip; lopen heel wat werven voor nieuwbouw af en bezoeken makelaars die tweedehands schepen verkopen. Na heel wat keren ons hoofd te hebben gestoten zeg ik dat ik de boot zelf wel ga ontwerpen. Bij Pollard jachtbouw in Steenwijk kan dat en voor ons budget. Ik ontwerp de Trawler
die we willen in grote lijnen. Van Vossen in Steenwijk maakt het ontwerp maritiem en tekent het snijpakket voor het casco. Vervolgens doe ik nog een jaar over het uitwerken van het interieur. Het valt ook niet mee als je een appartement van 170 m2 naar een oppervlak van 60 m2 terug moet brengen. Pollard heeft nog nooit zo veel laatjes in een schip getimmerd. Ria begint alvast op te ruimen en weg te geven. Na vier jaar zoeken, denken, ontwerpen en bouwen is Tiberius klaar. We wonen inmiddels tijdelijk in de Oude Viltfabriek in Amersfoort. Dat mag van Jacques en Ellen, omdat ik een ontwerp voor de Viltfabriek maak, om de ruimte voor hen om te bouwen tot woonruimte. In juli 2017 is Tiberius helemaal klaar. We dopen hem met veel vrienden en familie in de haven van Amersfoort. We varen nog wat rond in Nederland om Tiberius uit te proberen en overwinteren in Hoorn. Naast de Johanna.

Eind maart 2018 beginnen we ons vaarseizoen met een weekje Amersfoort. Om er in te komen en een en ander te regelen. Daarna varen we in april en mei naar Stockholm waar we krap twee maanden in de prachtige Stockholmse scheren willen rondzwerven. We hebben er nog zo veel herinneringen liggen. Eind juli willen we door het Götakanaal naar de westkust van Zweden, waar we de maand augustus willen blijven. In september en oktober zouden we dan via Denemarken en de Duitse kanalen weer terug naar Nederland. Maar dat loopt anders. Ria vindt dat Tiberius wel erg slingert als we op wat ruiger en groter water komen. We bedenken een steunzeiltje maar geloven daar uiteindelijk niet in. Je houdt 30 ton immers niet zo maar recht. Ria wil echter zonder voorzieningen niet meer terug naar Nederland met Tiberius. Ze heeft al te veel nare ervaringen opgedaan. We leggen contact met DMS die het rotorswing- stabilisatie- systeem heeft ontwikkeld. Samen met een Zweed laten we in een week de rotors onder de boot monteren. Kost een kleine Mercedes maar dan heb je ook wat. Ria gaat mee terug, maar is niet echt gerustgesteld. Het Götakanaal komt er niet meer van. We vinden het achteraf ook te zwaar, al die sluizen, al die trappen, ga er maar aan staan. Ria heeft van de scheren genoten maar de grotere oversteken waren voor haar te spannend.
In 2019 doen we het rustiger aan. We varen van oost naar west langs de Duitse noordkust en doen alle Duitse hanzesteden aan. Onderweg ontmoeten we Jos en Rolf in Rostock. Een leerzame reis, voor een stedenbouwer om te smullen. We eindigen in het grote Hamburg waar we de Speicherstadt ontdekken.
Afgelopen twee jaar werden we door de Corona-pandemie gedwongen om alleen in Nederland te varen. We kunnen een paar jaar niet naar de Europese wateren buiten eigen land varen. Toch vermaken we ons in Nederland goed. Er is geen land waar de verscheidenheid aan waterwegen zo groot is. De Oostzee is echter die jaren niet uit ons hoofd geweest. De ruimte en het licht dat je daar kan ervaren is heel bijzonder. Als je daar eenmaal van geproefd hebt, wil je terug.

Maar dat is nu dus niet meer mogelijk. Ria wil niet meer op groot water. We passen ons oorspronkelijke plan aan, gaan niet naar Noorwegen. Maar varen komende tijd daarom heel voorzichtig , via de Deense eilanden en de Duitse kanalen terug naar Nederland. We zullen wel eerder terug zijn dan gepland.

de Sont

Zaterdag 7 mei

We varen beetje bij beetje over de Sont/Øresund tussen Denemarken en Zweden en zijn nu op het smalste stuk in Helsingør aangekomen. Gekke stad met ervoor het gigantische kasteel Kronborg en de steeds heen en weer varende ferry’s, waar wij tussendoor moeten om de haven te bereiken. We mogen in de Kulturhavn liggen, tegenover het kasteel. Alleen voor schepen groter dan 15 meter. Aan de andere zijde ligt het nieuwe cultuurcentrum. We liggen naast een militair schip. Ik vind de kleuren van Tiberius toch mooier.

Toen we nog in Dragør, aan het begin van de Sont lagen, zijn we in een uurtje met de bus naar Kopenhagen gereisd. We stappen uit tegenover Tivoli. Gek zo’n pretpark achter een muur midden in de stad. En lopen naar het prachtige museum Glyptoteket. Het 125 jaar oude gebouw heet eigenlijk ‘Ny Carlsberg Glyptotek’. Het museum is vernoemd naar de brouwerijen van de beroemde Deense bierbrouwer Carl Jacobsen. Hoewel een glyptotheek eigenlijk een ‘verzameling van beeldhouwwerken’ betekent, kun je nog veel meer kunst in dit museum bekijken. Het museum is in een schitterend pand gehuisvest, tegenover amusementspark Tivoli. Dat was eigenlijk een doorn in het oog van Carl Jacobsen, die zijn enorme kunstcollectie aan de staat doneerde op voorwaarde dat de collectie in een speciaal gebouw ondergebracht zou worden. Dat dit gebouw naast het wat vulgaire Tivoli (waar in zijn ogen vooral het ‘gepeupel’ kwam) stond, beviel hem eigenlijk maar niets.

Ter gelegenheid van het 125 jarig bestaan van de Glyptoteket is er een speciale tentoonstelling van de franse schilder Suzanne Valandon te zien. Ze schildert een beetje naïef zoals Charley Toorop.

We lunchen onder de prachtige koepel van de Glyptoteket en lopen door de mooie Deense stad totdat onze voeten pijn doen. Tegen vijf uur zoeken we nog even een fotograaf, die de gevoelige plaat van mijn fototoestel schoonmaakt zodat ik weer smetteloze plaatjes kan schieten.

Donderdag 5 mei varen we met een rustig zeetje naar het ons bekende eiland Ven, de Denen zeggen “Ween”. We zien het silhouet van Kopenhagen achter ons aan de horizon verdwijnen. De haven van Kyrkbacken op Ven ligt beneden aan de rots, bovenop staat een wit kerkje. Bij aankomst verruild Ria het Deense gastenvlaggetje voor het Zweedse, want Ven ligt in Zweden. We maken een prachtige wandeling over het eiland, langs een pad dat voor een deel over de rand van de kliffen loopt. We zien Helsingborg aan de overzijde liggen.

Gisterochtend twijfelden we of we wel zouden uitvaren. De wind zou aantrekken uit westelijke richtingen. Dan zouden we bijvoorbeeld naar Mölle kunnen varen. Maar, dan komen we wel op groter water. We nemen toch de gok en varen uiteindelijk maar tot Helsingør omdat de deining toch toeneemt. Zul je altijd zien. Het is al zowat twee maanden oostenwind en als wij langs de Zweedse westkust willen varen draait de wind naar west, recht op de kust. Nou ja. Morgen, op zondag is er een weergaatje en proberen we een eind langs de Zweedse kust te komen. Kijken hoever we op een dag kunnen.

Kopenhagen

dinsdag 3 mei

Loodstoren op Dragør

We zijn in Dragør, vlak bij Kopenhagen. Het is in 4 dagen alweer de derde bestemming in Denemarken, na Gedser op het eiland Falster en Klintholm Havn op het mooie eiland Møn. Dragør, heeft als vissersplaats Nederlandse roots. Dat kun je goed zien aan het dorp wat aan de haven ligt. Het doet allemaal erg Hollands aan met smalle, verspringende straatjes zoals ook in het vissersdorp Marken. De oversteek vanuit Rødvig is heel rustig. We zijn vroeg opgestaan om de wind voor te zijn. Onderweg zien we prachtige zeegezichten, zowel vroeg in de ochtend als we Rødvig verlaten als bij de landing in de Sont aan de overkant.

brug tussen Denemarken en Zweden over de Sont
Windmolens in zee aan de Zweedse kant

Op Møn komen we pas echt in Deense sferen. We zeggen tegen elkaar dat we ons een beetje in een sprookje wanen. Als je de gebeurtenissen van de komende twee dagen leest, snap je ook dat het niet zo gek gedacht is.

Op Møn hebben we vanuit Kintholm Havn de bus gepakt, naar Stege. Stege ligt aan de andere kant van het eiland. Het is zo leuk om een ritje over het eiland te maken, je ziet alle landschappen langskomen. Glooiend, vooral glooiend, dit landschap. Heerlijk, zo lieflijk, zo romantisch. Prachtige groene biljartlakens, afgewisseld met knalgele koolzaadvelden. Kleine dorpjes met allemaal typisch Deense kerkjes, vaak met een toren met een trap- of topgevel. Vaak hebben de Deense kerken mooie kleuren aan de binnenkant en er hangt ook altijd wel een scheepje aan het plafond. 

In Stege bezoeken we de kerk en worden verrast met pianospel. Een pianist mag de kerk gebruiken als oefenlokatie. Hij speelt een stuk van Gabriël Fauré. Prachtig, en het verbaast ons dat het zo mooi zacht en rond klinkt, ook al speelt hij in een toch wel vrij grote kerk. We zeggen dat we het erg mooi vinden en hij vertelt dat hij ook op het orgel mag spelen. Hij trekt zijn speciale tango-schoenen aan en we krijgen ook nog een orgelconcert.

We eten de lunch bij een slager in de hoofdstraat. Achter zijn winkel bevindt zich een grote overdekte hof met daarin nog de oude woningen. Alles gelaten zoals het was. Geweldig, hier een tafel in een oude woonkamer, daar wat tafels in een winkel, voor ons een tafeltje in het halletje van een oud huisje. Heel lekker mét glutenvrij brood!

Om half drie weer terug met de bus. Terwijl we naar het station teruglopen komt er een bus aan en de chauffeur begint uitbundig naar ons te zwaaien. We snappen er niets van, we kennen hier immers niemand. Gingen we nog eens goed kijken en bleek het de pianoman te zijn. Hij is buschauffeur! Grappig, wat een bijzondere ontmoeting. 

Vandaag varen we van Møn naar Sjaeland. Het doel is Rødvig Havn, een mooie oude vissershaven. We zijn er al eerder geweest met onze ONJ. We varen om 9.00 uur uit en glijden even later over een glad zeetje langs Møns Klint. Wat is dat toch indrukwekkend; met je eigen boot op zee naar dit wonderlijke natuurverschijnsel kijken. Witte kalkrotsen rijzen 126 meter uit zee op,  in een lengte van wel zes kilometer.  In de laatste 100.000 jaar vanaf de zeebodem opgestuwd door gletsjers. De kliffen zijn zo puntig, dat het lieflijke eiland en dus het lieflijke sprookje toch een scherp kantje krijgt. Wat ruig!

Wanneer we hebben aangemeerd in Rødvig, hoor ik in ene: hé Ria en zwaaien er mensen vanaf de kant naar ons. Wat is dat nu, wie weten er nu dat we hier zijn?Hanne en Tess staan op de kade, samen met hun twee lieve kindjes. We drinken thee op de boot, weer een onverwachte, ontzettend leuke ontmoeting.

Water, glashelder water

Wat hebben we de Oostzee gemist. De ruimte. Het licht. Maar vooral het water. Schuimend, doorzichtig, glashelder, groenblauw, eindeloos water. Als je de Duitse kanalen gewend bent, met de bruin besmeerde stootwillen vanuit de sluizen, dan is dit de hemel.

Travemünde

Aan het eind van de Trave, bij het verlaten van Travemünde wil een grote ferry direct met ons de zee op. Dus maar even inhouden. Daarna zien we de idiote verhoudingen van het schip met de omgeving. Reusachtig, een varend flatgebouw waarbij het dorp Travemünde in het niet valt en het flatgebouw op de kant van 35 verdiepingen en ruim 100 meter hoog, een beetje mee mag doen.

We steken direct over naar Neustadt waar we een afspraak hebben met een monteur die onze waterdruk moet herstellen. De hydrofoor is weer eens van slag. Na een telefoontje van Ria staat Jann al op de kade bij de kraan. Zoals afgesproken. Hij duikt direct het luik in, net zo lenig als Thijs vouwt hij zich dubbel en stelt dat de ballon in het hyrdofoor-vat leeggelopen is. Als hij een compressor gehaald heeft, blaast hij met 8 bar weer lucht in het vat. Om onze pogingen om met een fietspomp het vat op te pompen moet hij lachen. Dat lukt nooit. Zeker niet als de ballon tegen het ventiel geplakt zit. Na een half uurtje is de watervoorziening weer hersteld en nemen we afscheid van Jann. We blijven die dag in Neustadt en maken een wandelingetje.

Omdat het de volgende dag een glad zeetje zou zijn staan we vroeg op om in een keer naar Gedser op Falster in Denemarken te varen. Prachtig om een koers uit te zetten en in het niets te varen totdat er weer land in zicht is. Ria zet op de grens van Duitsland naar Denemarken het Deense gastenvlaggetje op. Mooi!

We zien in de shipping-lane een aantal grote schepen op de Fehmarnbelt langskomen. Eerst op de AIS, later doemen de schepen vanuit de nevel op. Alleen de wind neemt natuurlijk onderweg wel toe. Dat is ook traditie. Van 6 knopen in Neustadt naar 10 knopen op de Fehmarnbelt. Er komen witte kopjes op het water. Dan wordt het hobbelig en zet ik de stabilisers aan. Jammer dat er een rotor niet werkt. Zeker een zekering. Dus we stabiliseren op halve kracht.

In de smalle vaargeul bij de aanloop naar Gedser hebben we ze eigenlijk alle twee nodig. De wind trekt, dwars op Tiberius, aan tot 19 knopen en de ferry Copenhagen, van 175 meter lang wil tegelijkertijd het gat uit. We passeren het schip met veel wervelingen en gehobbel en zijn even laten in de haven van Gedser.

Onder de indruk van de ingehouden schoonheid van Denemarken komen we tot rust als de zon langzaam in de Belt zakt.

Onze stad

Zaterdag 23april

We liggen alweer drie dagen in “onze” stad Lübeck. Het is wel een beetje thuiskomen in deze prachtige Hanzestad. De poort naar de Oostzee. De avond dat we hier aankomen via het Elbe-Lübeck-kanaal en de Trave eten we direct bij Da Luigi aan de Fischergrube. Onze Italiaan waar we helemaal in de sfeer komen. Dat is traditie. Dit is al de 4de keer dat we Lübeck aandoen. We liggen weer naast de prachtige havenloods die is omgebouwd tot kleine kantoren, een hotel/restaurant en woningen. Met behoud van de sfeer en de oude kranen. Die staan hier nog langs de kade zoals dat was in de tijd van de Hanzen. Jammer dat niet meer van het Wall-Hafen-Stadt hier op het schiereiland is gerealiseerd.

Afgelopen dagen door de stad gebanjerd. Ons weer verwonderd over de prachtige combinatie van rood metselwerk en gestucte panden met vrolijke kleuren. Eigenlijk al een beetje een Deense sfeer. Ik zou in weinig steden in Duitsland kunnen wonen. Maar in Lübeck zou dat wel lukken. Vandaag gebak met marsepein gegeten bij het Niederegger Kafé aan de Breite Strasse. Een echt ouderwets café/restaurant om met de pink omhoog een gebakje te eten met uitzicht op het Middeleeuwse stadhuis. Later worden we bij het toilet vriendelijk gedag gezegd door een rasechte toiletjuffrouw, met schort en doekje in de hand.

Afgelopen week zijn we vanaf Hannover aan het Mittellandkanaal, via het Elbe- Seitenkanaal, een stukje Elbe en het prachtige Elbe-Lübeck Kanaal hier naartoe gevaren. De eerste stop is nog aan het Mittelandkanaal, naast de Biergarten waar we ooit met Thijs en Maris hebben geprobeerd iets te eten. Toen was het restaurant al in verval maar nu is het helemaal een grote bende. Niemand te zien. We slapen heerlijk, direct langs het kanaal.

Het Elbe-Seitenkanaal valt nu helemaal niet tegen. Het kanaal komt minder afstandelijk over dan andere keren. Vooral in de ochtend is het nog stil, en weerspiegelen de oevers zich in het kanaal. Tiberius doorklieft het nog maagdelijk spiegelende water, tot dat we een tegenligger tegen komen of de wind opsteekt. Zeker ook omdat de meeste bomen nog geen blad dragen en we meer doorkijkjes naar het grootschalige omringende landschap hebben. Het Elbe-Seitenkanaal inclusief de twee machtige sluizen, doen we tot de Elbe in drie dagen. (Voor de mensen die de filmpjes van de sluizen hebben gemist wil ik nog wel een exemplaar sturen. Van sluis Uelzen en het prachtige Hebewerk Scharnebeck).

We blijven twee nachtjes in Lauenburg aan de Elbe. Dat is ook al een beetje traditie. Het is een leuke oude stad met kleine straatjes en mooie plekjes aan de Elbe. Als je boodschappen wil doen moet je wel door het park en 30 meter omhoog, 75 treden boven het oude stadje.

De laatste etappe door het Elbe-Lübeckkanaal is weer fantastisch. Zo’n prachtig kanaal dat je het idee hebt dat je op een riviertje vaart, met een zacht golvend landschap er omheen. Af en toe lijkt het of de bossen om je heen op duinen staan en waan je je in Bloemendaal.

Maandag neemt de wind af en willen we naar Burgstaaken op Fehmarn varen. Onze laatste stop in Duitsland. Vandaag maken we de boot klaar voor de Oostzee. Alles zeevast. Motor, waterfilter en oliefilter gecontroleerd en schoon gemaakt. Life-raft achter uit het luik op de kuipbank.

Schippers

14 april 2022

We worden vanmorgen wakker van het dichtklappen van de toiletdeur als het eerste binnenvaartschip op enkele meters afstand langskomt. De zuiging zet Tiberius scheef en laat de lijnen kreunen. We liggen in de jachthaven van Hannover. Hebben al weer 265 km kanaal in Duitsland gevaren. Voelen ons wel een beetje schippers. Alhoewel de schippers op hun beurt ons zien als luxepaardjes die met hun bootje voor de lol de kanalen bevaren.

Na het smalle, 15 kilometer lange Haren-Rütenbrock-kanaal komen we op het Dortmund-Eems-kanaal, waar we tot het Mittellandkanaal opblijven. Negentig kilometer rivier en kanaal met 9 sluizen die steeds dichter bij elkaar liggen. Het laatste stuk van het kanaal zitten we, zoals we gewend zijn, weer achter een zeer langzame, dikke tanker die zuigend in de sluizen past. We halen een gemiddelde snelheid van krap 7 kilometer per uur. Pff.

In 1892 werd met de aanleg van het kanaal begonnen. Tijdens de piekjaren waren er meer dan 4000 werknemers actief. De beplanting langs het kanaal is prachtig. Vooral nu in het vroege voorjaar nog niet zo veel blad aan de bomen zit. De 100 jaar oude bomen zijn met een bedacht patroon langs het kanaal gezet. Soms staan de platanen rechts, soms links en dan weer worden ze afgewisseld door dikke eiken.

Na een rustige nacht op de hoek van het Mittellandkanaal en het Dortmund-Eems-kanaal varen we het brede Mittellandkanaal op. Het Mittellandkanaal  is met zijn 325,7 km de langste kunstmatige waterloop van Duitsland. De Duitsers hebben daarbij geen halve maatregelen genomen. Het brede kanaal snijdt dwars door het zacht glooiende landschap, soms ligt het kanaal lager dan het omringende landschap, soms hoger. We hebben nu 160 kilometer zonder sluis gevaren maar met des te meer bruggen. Gemiddeld zit er een brug op elke 600 meter. Alle wegen en paden die er voor de aanleg van het kanaal liepen, lopen er nog. Knap staaltje werk!

We overnachten in Bad Essen en in Hahlen bij Minden. In Bad Essen maken we een wandeling tegen de heuvel op en hebben een prachtig uitzicht over het dal waar het kanaal door loopt. Gelukkig komt Ria met haar stok goed de heuvel op.

Drenthe

7 april 2022

We liggen nu in Haren aan de Eems in Duitsland. Vandaag laten we de storm over ons heen razen. Dan kunnen we morgen verder het Dortmund-Eemskanaal op.

Zo vroeg in het jaar zijn de Drentse kanalen niet zo toegankelijk. Het begint op de Hoogeveense Vaart wanneer we Zwartsluis verlaten. Ria belt de eerste sluis en krijgt direct te horen dat het niet mogelijk is de Hoogeveense Vaart te bevaren. We hadden ons drie dagen van te voren moeten melden. Punt.

Ria zegt dat ze dat ook had gedaan en toen een vriendelijke dame aan de lijn had gehad die zei dat we ons gewoon op de dag zelf moesten melden. Niet dus. Goed, na heel wat diplomatieke woorden van Ria, en nadat ze de bewuste sluismeester lief had gevraag hoe we dan wel het snelst in Duitsland konden komen, bond hij in. Een vrouwelijke navigator heeft voordelen. Uiteindelijk komt het er op neer dat we die donderdag tot Hoogeveen kunnen varen. Hij strijkt een hand over zijn hart. De laatste sluis voor Hoogeveen moet hij eerst nog resetten voordat we er door kunnen. We zijn blijkbaar de eerste na de winter. De sluismeester heeft voor ons “uitgeknobbeld” dat we pas maandag verder over de Verlengde Hoogeveense Vaart naar het oosten kunnen. Er is die vrijdag niemand beschikbaar want die komt met een “jacht” van de andere kant. En in het weekend wordt er sowieso niet gesluisd. We moeten ons dus vermaken in Hoogeveen. Gelukkig komen Ton en Ine ons zaterdag vergezellen. Ria heeft lekker gekookt.

onze ligplaats in Hoogeveen.

Maandag komt een alleraardigste, heel lange, echte Drent ons helpen met de sluizen en bruggen in de Verlengde Hoogeveense Vaart. Hij rijdt met zijn gele autootje van de provincie helemaal mee van brug naar brug en van sluis naar sluis, tot aan Nieuw Amsterdam-Veenoord waar we tegenover de Coop overnachten.

De volgende ochtend komt hij om klokslag 9 uur om ons verder te helpen, niet voordat hij eerst bij ons een kopje koffie in de boot heeft gedronken en zich verwonderd over de ruimte in ons bootje. We hadden Tiberius toen al volgehangen met stootwillen en wrijfhouten. Want we krijgen die dag het moeilijkste deel van het traject: de Veenvaart met 14 bruggen, vaak niet hoger dan 3,50 meter en 7 sluizen waarvan er een niet breder is dan 4,80 meter. Tiberius is 3,45 meter hoog en 4,60 meter breed. Dus weinig speling. Vijf cm aan alle kanten!

Halverwege de dag wordt de lange Drent door een andere Drent vervangen die ons door de volgende sluizen en bruggen leidt. En weer vervangen door nog meer Drentse geelgejackte sluismannetjes. Op een gegeven moment lijken ze steeds meer op elkaar en moet je ze uit elkaar houten door hoedjes of petten die ze toegevoegd hebben aan hun gele sluiswachtersuniform.

En dan naderen we de Veensluis in het Veenmuseum. Een hele oude sluis die nog met de hand bediend wordt. Vier jaar geleden liepen we een diepe kras op in deze sluis. Door de lage, uitstekende beton-blokken die de sluisdeuren beschermen.

We naderen de sluis heeeeel langzaam, en drijven uiterst langzaam de sluis binnen. De sluismeester geeft de kont van Tiberius bij een van de betonblokken een duwtje zodat die ook mee gaat. Maar voordat de sluis bediend wordt deelt de moeilijk te verstane dikke sluismeester ons mee dat we niet verder kunnen. En dat vertelde hij wel 6 keer. Hij had net een telefoontje gehad en het was zo. Uiteindelijk draait hij de deuren achter ons een voor een dicht. Loopt naar voren en draait de voorste deuren van de sluis een voor een open, nadat de sluis heel langzaam is leeg gelopen. Toen de ophaalbrug open. Dat gaat gelukkig elektrisch, en kunnen we weer heel langzaam uitvaren met links en rechts 5 cm speling de de wrijfhouten die langs het beton schuren. Gelukkig dit keer geen krassen.

We kunnen de rest van het kanaal wel af, in tegenstelling tot de berichten van de verwarde sluismeester in het museum. Zelfs in Groningen is er nog een brugwachter. We overnachten voor de laatste sluis in Ter Apel. We hebben die dag “gewerkt” van ’s ochtends 9 tot ’s avonds 17.00 uur en ons uiterst langzaam door alle sluizen en onder alle bruggen door-geworsteld. We zijn even bekaf.

Het Haren-Rütenbrock-Kanal de volgende dag is een eitje. Alle sluizen worden op afstand geopend en op de stromende Eems zoeken we een plekje in de jachthaven.

Europa

5 april 2022

“We wonen op een boot en zwerven door Europa”.

Dat hebben we ruim 4 jaar geleden geschreven toen we besloten op Tiberius te gaan wonen. Sindsdien hebben we geen huis of adres meer. Hebben daarom de vrijheid om in de zomer te gaan waar we willen. Naar diverse landen in Europa. Over de grote rivieren. Over de lange kanalen. Over de Oostzee. Tenminste, dat was ons doel. Maar Europa is veranderd. Is niet meer zo vrij als toen.

Eerst kwam de pandemie. Daardoor zijn we twee jaar gedwongen om alleen Nederland als ons huis te beschouwen. We konden een paar jaar niet naar de Europese wateren buiten eigen land varen. Toch hebben we ons in Nederland best vermaakt. Er is geen land waar de verscheidenheid aan waterwegen zo groot is. De Oostzee is echter die jaren niet uit ons hoofd geweest. De ruimte die, en het licht dat je daar kan ervaren is heel bijzonder. Als je daar eenmaal van geproefd hebt, wil je terug.

Nu voelen we ons niet vrij meer in grote delen van Europa. We hadden gedacht dat de vrijheid die in Europa sinds decennia bestond, zou blijven bestaan. Wellicht waren we naïef. Maar met ons vele anderen. Vanuit west Europa gezien wordt er bruut aan de achterdeur gerammeld. Wie had dat verwacht? We hadden ooit gedroomd de Donau af te kunnen varen naar de Zwarte Zee. Of via de Duitse en Poolse noordkust langs de Baltische staten naar Riga, Tallin en Helsinki. Die doelen liggen nu, naar ons gevoel, te dicht bij het losgebarsten geweld.

Natuurlijk hebben we ons afgevraagd wat we dan moeten doen. Niet op reis gaan en in Amersfoort blijven liggen? En dan? Het enige wat we kunnen is boos zijn en de ontwikkelingen volgen. De analyses lezen van wetenschappers en schrijvers. Ons zorgen maken over de toekomst van onze kinderen. Zien hoe Nederlanders Oekraïense families opnemen. Dat financieel steunen. Maar verder lossen we niets op.

Daarom hebben we besloten toch op reis te gaan. Als een soort antigif. Om te laten zien dat een groot deel van Europa nog steeds vrij is. Waar we wel mogen genieten van andere landschappen en culturen.

Het voorbij-trekkende landschap, gezien vanaf de Verlengde Hoogeveense Vaart